100 jaar boekhandel

Achter de winkel lag de drukkerij. Die was belangrijker dan de boekhandel. Bonda was namelijk fotograaf. Hij maakte talloze foto’s van Bergen en drukte die af op ansichtkaarten die hij in zijn winkel verkocht. Ook probeerde hij te concurreren met de drie jaar eerder opgerichte Berger Kunsthandel schuin aan de overkant - thans Het Huis met de Pilaren.

Frits David Zeiler schrijft in De eerste kunstenaars in Bergen (NH) rond 1900 (Kranenburgh Cahiers 9) over een expositie in de boekhandel: ‘In de vroege zomer van 1911 bijvoorbeeld werd er een keuze uit de werken van het echtpaar Gerrit en Frouke van der Hoef-van Rossem getoond. Deze bestond niet alleen uit schilderijen, etsen en tekeningen, maar ook uit Japanse poppen van zijn hand en door haar gebatikte voorstellingen en voorwerpen.’

De beeldende kunst bloeide in Bergen, maar veel ruimte voor boeken zal er, zeker tijdens de expositie, niet geweest zijn in het winkeltje. En dat terwijl Herman Gorter, Adriaan Roland Holst, diens tante Henriëtte Roland Holst, C.S. Adama van Scheltema en Frederik van Eeden zeker tot de klantenkring behoorden.

Op 26 september 1926 werd bij de gemeente een ‘Plan tot het verbouwen van een winkel te Bergen Oude Prinsweg 11 voor rekening van den heer AJ Bonda’ ingediend. Binnenshuis was er in zestien jaar al heel wat veranderd: op de tekening ‘bestaande toestand’ is de ruimte die eens kantoor en drukkerij vormde bij de winkel gevoegd. Het ontwerp ‘nieuw te bouwen’ toont het voornemen ook de zitkamer te gebruiken om de winkel uit te breiden. Vandaar dat het smalle raam rechts vervangen moet worden door een dat gelijk is aan het etalageraam links. Het plan werd goedgekeurd en zo kreeg de Eerste Bergensche Boekhandel zijn symmetrische gevel. Met luifel. Op de tekening staat in handschrift: ‘Schilderwerk gebroken wit, deur groen’.

Dat zijn de feiten. Maar wie was Abram Joseph Bonda? Niemand die het nog vertellen kan. Zelfs Piet Mooy, liefhebber en verzamelaar van de foto’s van Bonda, kent de stichter van de boekhandel alleen van die foto’s - de ansichtkaarten: ‘Hij staat er vaak zelf op, of zijn vrouw. Daar ken ik ze van. Maar toen ik een beetje om me heen begon te kijken, toen ik zes of zeven was, zaten de Romeny’s al in de winkel. Dat was rond 1930.’ Hij was dus getrouwd, Abram Joseph Bonda, hij maakte foto’s, hij had als een van de eersten in het dorp telefoon (zijn nummer was 6) en stichtte iets unieks: een winkel die gebouwd werd als boekhandel en dat nu, bijna een eeuw later, nog steeds is.

Het citaat aan welk Willem van Toorn de titel van zijn boek ‘Er moeten nogal wat halve-garen wonen’ ontleent, begint als volgt: ‘Ken je Bergen binnen? Een urbaan plaatsje, met twee aardige hotelletjes bij de ruïne, tal van koekebakkers & sigarenwinkels en zelfs een vrij goeie “middelbrow” boekwinkel.’ Dan komt dat van die halve-garen. Nescio schreef het, in 1951, in een brief. De boekhandel is de Eerste Bergensche, die van plus minus 1930 tot 1959 werd gedreven door de Romeny’s - broer J. en zus W. Een tweede zus beheerde een apotheek aan de Stationsstraat. Zo waakten zij gedrieën dertig jaar lang over zowel het lichamelijke als het geestelijke welzijn van de Berger bevolking.

De winkel was een donker hol. De etalages waren van achteren afgeschot, zodat er slechts door de bovenste raampjes licht de winkel binnenviel, en dan alleen nog door de raampjes links, want de ruimte achter het rechterraam maakte, ondanks de optimistische plannen van Bonda in ‘26, nog steeds geen deel uit van de winkel. De voormalige zitkamer werd door de Romeny’s als opslagruimte gebruikt. Daar lagen mooie spulletjes, zoals later bij hun vertrek blijken zou.

Neeltje Maria Min vertelt dat ze rond 1956 voor het eerst in de boekhandel kwam. Ook zij herinnert zich de duisternis in de propvolle winkel. Ze durfde niets te zeggen tegen de kleine, kale, kantoorklerkachtige heer Romeny achter de toonbank. Ze liep naar de kast met poëzie en begon te lezen. Zo bracht ze vrijwel al haar vrije middagen door, staande bij de poëzie, bundel na bundel verslindend. Er was altijd voldoende kwaliteit in huis. Of haar zwijgende aanwezigheid op prijs gesteld werd, weet ze niet. Ze werd nooit vermaand of zelfs maar gestoord door de heer Romeny: ‘Misschien durfde hij ook niets te zeggen.’ Bovendien, ze spaarde ondertussen flink om af en toe iets te kunnen kopen.

De Romeny’s gingen altijd in het zwart gekleed, een echte dame en een echte heer. Elly de Waard weet nog hoe ze eens op blote voeten de winkel betrad: ‘Dat deden we toen, we liepen op blote voeten.’ Neeltje Maria Min beaamt het: ‘Je mocht bijna geen winkel in, als je geen schoenen droeg.’ Maar Wilhelmina Romeny boog zich beminnelijk over de toonbank naar Elly toe en vroeg: ‘Is dat niet koud, meisje?’ Zo’n dame was ze. Anthony van Kampen mocht graag vertellen dat je vanuit het reuzenrad op de kermis goed kon zien hoe keurig ze naar bed ging, in een keurig ponnetje. Dit terzijde. Echte praters waren ze niet, en dat is jammer. Toen Michael Valeton het bedrijf overnam, zei de oude heer Romeny: ‘’t Is een mooie zaak, met al die beroemde schrijvers over de vloer.’ Valeton ging er gretig op in, maar meer dan de mededeling dat Slauerhoff wel eens binnenliep en Nescio er zelfs ooit een bloknootje had gekocht, kreeg hij niet te horen.

Dat was in 1959. De Romeny’s trokken zich terug en een grote ramp dreigde. Er was geen opvolger voorhanden, dus zou het pand verkocht worden aan iemand met een andere nering. De directeuren van De Bezige Bij, De Haan, Meulenhoff en Ploegsma grepen in. Ze vonden het ontoelaatbaar dat zo’n prachtig pand een andere bestemming zou krijgen dan boekhandel. Ze kochten het bedrijf (het pand bleef nog een aantal jaren bezit van mevrouw Romeny) en zochten middels een advertentie in het Nieuwsblad voor den Boekhandel een boekverkoper. Dat werd Michael Valeton: ‘De faam die Bergen genoot als kunstenaarsdorp deed vermoeden dat je er als boekhandelaar een bestaan kon opbouwen. Ik wist dat Roland Holst het dorp “bezield” had genoemd - dus er werd vast wel gelezen. En dan dat uitzicht op het plein en de Ruïnekerk, al die met de seizoenen wisselende kleuren...’ De vier uitgevers werkten ook mee. Valeton kon tegen een bijna charitatieve rente geld van hen lenen om het bedrijf over te nemen. Na een paar jaar had hij zijn schuld afgelost en niet veel later nam hij het pand over van de Romeny’s.

Het eerste wat de nieuwe eigenaar deed, was grote schoonmaak houden. Wat hij aantrof was te idioot voor woorden. Er zullen fatsoenlijke boeken op de plank hebben gestaan, anders zou Nescio niet van ‘een vrij goeie “middelbrow” boekwinkel’ geschreven hebben en had Neeltje Maria Min niet zoveel uren voor de poëziekast doorgebracht, maar Valeton trof daarnaast ook een uitleenbibliotheekje aan (‘In bruin papier gekafte oude boeken, die konden meteen bij het oud papier.’), en wat echt de moeite waard was, lag te verschimmelen in de ‘zitkamer’: dozen vol onuitgepakte boeken, waaronder decennia oude eerste drukken van Nijhoff, met de nota’s er nog bij (‘Maar die waren blijkbaar toch betaald, of verjaard, ik heb er in ieder geval nooit last mee gekregen.’). Ook herbergde het pand een gigantische hoeveelheid inkt en gummen en pennen en schilderijlijstjes en blocnotes. Die moesten weg, want met kantoorartikelen kon je destijds geen omzet maken. Dat werd de grote uitverkoop. Die duurde tot alle troep weg was. Dagen, weken, en iedereen kwam. Valeton herinnert zich hoe de straat voor zijn winkel vol fietsen lag: ‘Mijn eerste klant was Neeltje Maria Min. Ze kocht, geloof ik, vijfentwintig kroontjespennen.’ ‘Dat klopt,’ zegt Min, ‘ik was er vanaf de eerste dag te vinden en bleef komen en kopen tot er niks meer over was. Pennetjes en potjes inkt en vooral schetsboeken - ik tekende toen veel. Die schetsboeken waren echt ouwe lellen, die had ik in de winkel nooit gezien - ze lagen zeker al jaren in het magazijn.’

In 1960 dreigde een kleine ramp. Op 3 november vroeg mevrouw Wilhelmina Romeny (zij was nog eigenares van het pand) vergunning om de luifel te laten verwijderen. De voorgevel is voortdurend vochtig. De gemeente gaf geen toestemming en voerde drie argumenten aan: de gevel werd waarschijnlijk nóg vochtiger als de luifel weg was; de heer Valeton had op eigen initiatief door middel van afvoer en leidingen grote verbeteringen aangebracht; en: ‘Voorts zijn wij van mening dat in het dorpsbeeld rondom de Ruïnekerk de onderhavige luifel een zo belangrijk element vormt, dat verwijdering daarvan dit beeld op onaanvaardbare wijze zou verstoren.’ Dat waren nog eens dagen.

Niet veel later kocht Valeton het pand. Maar Wilhelmina Romeny, die boven de winkel woonde (zij was, net als haar zus, ongehuwd; hun broer was wel getrouwd en woonde elders in Bergen), weigerde te vertrekken. Valeton huisde met zijn vrouw Tineke al een half jaar in de ‘zitkamer’ en rolde daar iedere avond een matras uit. Er was een gerechtelijke procedure nodig om juffrouw Romeny weg te krijgen - ze had er volgens Valeton geweldig de pest in dat de boekhandel opeens goed was gaan lopen. Pas na uitspraak van de rechter verhuisde ze. Per fiets. Dan eens een half pakje boter onder de snelbinders, dan weer eens een kannetje. Het duurde weken. Maar toen had Michael Valeton zich dan ook definitief in Bergen gevestigd.

Hij begon literaire avonden te organiseren. De eerste, in de Boekenweek van 1960, leverde al direct een botsing der titanen op. Valeton: ‘Harry Mulisch kwam naar Bergen. In de tuinzaal van De Rustende Jager hield hij een betoog waarvan ik me vooral herinner dat hij beweerde dat alle grote schrijvers koelheid nodig hadden en afstand van hun werk moesten houden. Als voorbeelden noemde hij Homerus en Dante. Roland Holst zat in de zaal en interrumpeerde met de opmerking dat dit wellicht op de spreker zelf sloeg, maar of het ook gold voor Andreus? Achterberg? Yeats?’

Roland Holst kwam toen nog niet in de Eerste Bergensche Boekhandel. Hij kocht bij zijn vriend de boekhandelaar Dupont in Amsterdam. Als hij van de Nesdijk naar het dorp ging, passeerde hij de kerk aan de zuidkant, zelfs als hij naar het postkantoor moest (voor wie Bergen niet kent: het postkantoor ligt aan de noordzijde, twintig meter bij de boekhandel vandaan) - om niet langs de winkel te komen. Pas in september 1960 schreef hij: ‘... dat ik mijn schroom heb overwonnen en voortaan afziende van laffe omtrekkende bewegingen de drempel van Uw boekhandel met opgeheven hoofd zal overschrijden.’ ‘Nu heb je verdomme mijn Roland Holst afgepikt!’ zei Dupont verontwaardigd tegen Valeton. Want de prins der dichters was een goede klant. In de winkel was hij een man van weinig woorden, hij wist precies naar welke boeken zijn wens uitging. Als hij uitgenodigd was om ergens te dineren, nam hij als attentie een boek mee. Ook kocht hij poëzie van mensen die hij ontmoet had en van de vele jonge dichters die bij hem op bezoek zouden komen. Hij nam zijn gasten vaak mee naar de winkel.

Valeton: ‘Ik herinner mij dat Bertus Aafjes en Simon Carmiggelt elkaar onder zijn hoede in de boekhandel leerden kennen. Zij spraken hun bewondering uit voor elkanders werk. Carmiggelt had groot respect voor de wandeltocht naar Rome waaruit Aafjes’ boek Een voetreis naar Rome was ontstaan, waarop Aafjes antwoordde dat Carmiggelt een veel grotere prestatie had geleverd met zijn voetreis langs Amsterdamse cafés - temeer daar Aafjes pas na aankomst in Rome zijn eerste glas had geheven. Soms begaf het gezelschap zich daarna naar De Pilaren, waar Holst graag ontving, soms naar het huis van de dichter aan de Nesdijk. Met zijn wandelstok, ‘zijn ziel’, zoals hij die noemde, in de knik van zijn elleboog, ging hij zijn gasten voor.

Bonda verdween in het niets, Romeny zweeg, maar Michael Valeton vertelt met graagte - over de schrijvers die zijn winkel bezochten, over de lezingen die hij organiseerde. 1960 bracht nog een optreden van mevrouw Henriette Holthausen, georganiseerd in samenwerking met de vereniging van huisvrouwen, die sprak over ‘Culinaria en gastronomie van vroeger’, maar daarna brak het literaire geweld los. In 1961 kwamen Bert Voeten en Marga Minco, en ook de Boekenweek van ‘62 bracht een mooi programma. Valeton: ‘Lucebert en zijn vrouw Tony kwamen al in 1960 in de boekhandel. Het was dan ook niet moeilijk hem te vragen of hij zijn gedichten wilde voorlezen op een manifestatie die ik van plan was te organiseren.’ Hij deed dat samen met Chris van Geel, Roland Holst, Maurits Mok, Theo van der Wal, Bert Schierbeek, Ivo Michiels en Krijgelmans. Het was op deze avond dat Elly de Waard onder de indruk raakte van de poëzie en de voordracht van Van Geel. Journalist Leo Derksen was een andere mening toegedaan, hij schreef: ‘De organisator van dit festijn drentelt daar dan dapper rond alsof hij zojuist een enorm ei heeft gelegd. Jammer alleen, dat dat nooit uitgebroed wordt. Misschien gebeurt er dan nog eens iets. Tot zolang is de naam “kunstenaarsdorp” niet meer dan een grafschrift.’ Valeton: ‘Nou, dat bleek anders niet uit het uitbundige dansfeest dat de avond besloot... Het speelde zich allemaal af in de “dancing” van de Rus. Een prachtige zaal met een verdiept middendeel, waardoor het publiek als op een verhoging rondom kon zitten. Jammer dat die zaal is afgebroken en er nu een superwinkel staat. Er is op dit moment grote behoefte aan een dergelijk onderkomen.’

Een jaar later kreeg Leo Derksen zijn zin. Er gebeurde iets in Bergen, daar was iedereen het over eens. In gezelschap van Hans Andreus en Gerrit Kouwenaar trad Jan Wolkers op. Hij haalde zelfs De Telegraaf: ‘Jan Wolkers: Obsceen auteur.’ De Alkmaarsche Courant schreef: ‘Grens van het toelaatbare overschreden.’ en de gemeenteraad van Bergen gaf een verklaring uit waarin het optreden van Wolkers werd betreurd. Andreus kwam na die avond vaak naar Bergen. Die winter huurde hij een zomerhuisje in Bergen aan Zee, maar de extreme koude dreef hem regelmatig naar de grote kachel in de boekhandel. Valeton: ‘Ze raakten soms zelfs ingesneeuwd, daar in Bergen aan Zee. Maar blijkbaar was zijn dichtader niet bevroren, want er ontstonden in Bergen veel gedichten, die hij schoorvoetend en bijna fluisterend voorlas. Onze gesprekken gingen vrijwel altijd over het eeuwige tekort en zelfs het haalbare niet kunnen halen. Hans zat dan bij mij in de winkel terwijl zijn vrouw Lukie met de baby boodschappen deed. Daarna gingen ze toch weer terug naar Zee. Bergen beviel Andreus goed. Hij had het gevoel er bevrijd te zijn van stad en streven. We hebben geprobeerd om hier een huis voor hem te vinden, om hem van zijn zwerverschap en onrust te verlossen, maar uiteindelijk koos hij voor Hilversum, waar hij dikwijls moest zijn voor radioprogramma’s. Een jaar later dook hij weer op in Bergen. Niet aan Zee, maar in het dorp zelf. Ik zag hem regelmatig, maar kreeg het gevoel dat hij zich het liefst terugtrok en zo kwam er weinig van persoonlijk contact.

In die dagen begon ook Jan Hanlo naar Bergen te komen, om Lucebert te bezoeken. Hij reisde op zijn motor door weer en wind van Zuid-Limburg naar hier en kwam altijd eerst naar de boekhandel. Hij stapte vrijwel onherkenbaar, kletsnat geregend, gehuld in leren cap, jas, broek en laarzen, binnen, kleedde zich om, vertelde, voortdurend rokend, dat de Limburgse kunstbroeders het goed maakten, en vertrok “schoon” naar Lucebert. Hij was een van de twaalf dichters die optraden in de Boekenweek van 1966. Dat is een van de vreemdste bijeenkomsten die ik georganiseerd heb. De dichters zaten op het toneel in de grote zaal van De Rustende Jager. Daar was een lange tafel gedekt met witte lakens waarop wijnflessen en glazen stonden. Na de eerste spreker weigerde de microfoon, maar Riekus Waskowski galmde onversterkt twee odes de zaal in. Gelukkig kon Judith Herzberg daarna weer van de microfoon gebruikmaken. Langzamerhand nam de wijn bezit van de dames en heren op het podium en menigeen wist zelf niet wat hij stond voor te dragen. Men zei achteraf dat het een interessante avond was. Het werd verschrikkelijk laat. Roland Holst zei: “Wie levenslang jenever vervangt door appelsap is verloren; hij behoort tot het genre van de geestelijke vegetariërs en deze idealisten krijgen er vanavond van langs...” ‘

Het jaar daarop zorgde Johnny de Selfkicker nog voor enige opwinding op het Bergense podium en ver daarbuiten, daarna werd het kalm rond de literaire manifestaties. Maar de schrijvers bleven naar de boekhandel komen, veelal in gezelschap van Roland Holst. Hij was het ook die Jacques Bloem en diens echtgenote Clara Eggink meetroonde.

Bloem, een berucht boekenfanaat, kwam regelmatig in de winkel. Hij was slecht ter been en schuifelde door het pand. Zijn vrouw liet hem achter, ging boodschappen doen, en Bloem liep met kleine pasjes van kast naar kast. Hij nam door hem begeerde boeken uit de kast en maakte overal stapeltjes. Als Clara Eggink terugkwam, controleerde zij de stapels, zei welke titels gekocht mochten worden en zette de andere terug. Bloem leverde geen commentaar, maar de volgende dag kwam hij terug en het ritueel herhaalde zich. Valeton: ‘Het was bekend dat hij op bescheiden wijze ook wel eens boeken in zijn jaszak liet glijden. Het was dus zaak hem in de gaten te houden, maar dat was dankzij zijn geschuifel en zijn droge kuchje niet zo moeilijk. Je kon altijd horen waar hij zich bevond - meestal bij de Franse boeken of de poëzie. Ondanks zijn egoïsme mocht ik hem wel. En ik bewonderde zijn kennis van de poëzie. Ooit maakte ik een avond mee waarop hij een dialoog aanging met Victor van Vriesland waarbij ze, gebruik makend van de honderden dichtregels die ze zich van tientallen dichters herinnerden, toch tot een redelijk gesprek kwamen. Ze konden urenlang citeren, vooral bij een prettig glas wijn. Clara Eggink was niet alleen een waakzame Cerberus, ze deed ook graag mee met de heren. Zij, van wie Gorter zei: “Ze is de mooiste heiden die ik ooit gekend heb,” ging zeer kordaat om met de fles - ze kon een man onder tafel drinken.’

Sinds 1982 organiseert Michael Valeton jaarlijks een serie literaire lezingen. Je weet welke schrijvers er in een seizoen zullen komen, maar op welke avond ze zullen aantreden blijft onbekend tot de avond zelf. Een subtiel systeem, dat steevast volle zalen oplevert - ook voor de nog onbekende debutant. Honderden schrijvers beklommen in twintig jaar het toneel in Bergen. En ook in de boekhandel vonden activiteiten plaats. Er werden boeken gepresenteerd en geproduceerd. In 1986 verscheen het eerste deeltje in de reeks Verdichte Heerlijkheid: een greep uit de verzen en versjes die Hugo Pos, die een zomerhuisje huurde in Schoorl, en later in Groet, tussen 1935 en 1940 publiceerde in het weekblad van het Leids Studenten Corps en onder de titel Ik klim overal in voor het eerst werden gebundeld.

In maart 1987 presenteerde uitgeverij Conserve een novelle van Maurits Mok in de winkel. Mok woonde jarenlang in Bergen en Bergen aan Zee, toch kende bijna niemand hem in het dorp. De titel van de novelle was wat dat betreft typerend: Een man van nergens. ‘Mok was een man die stilte verspreidde,’ zegt Valeton, ‘hij vond zo’n presentatie dan ook erg vervelend. Het ging hem niet om de belangstelling voor zijn persoon, maar het zou de verkoop van het boek kunnen stimuleren. Hij vond dat hij tegenover zijn uitgever verplicht was de kwelling te ondergaan... Zijn vrouw was een stuk levendiger. Zij sprak vloeiend Russisch en wij vonden het aardig om met een zwaar Russisch accent met elkaar te converseren. Op een dag stond Karel van het Reve in de winkel. Wij hadden hem niet opgemerkt. Ons gesprek in namaak-Russisch nam blijkbaar een wending die hem de oren deed spitsen, want opeens plaatste hij, zonder op of om te kijken, een fraaie Russische volzin. Ik moest afhaken en Van het Reve en mevrouw Mok voerden een olijk gesprek in echt Russisch.

De herinneringen buitelen over elkaar heen. Al die schrijvers die de boekhandel bezochten! Als ik bedenk dat voor mijn tijd Nijhoff, Marsman, Slauerhoff, Ter Braak, Nescio, Du Perron en Gorter hier binnenkwamen en naar boeken zochten... Ze hebben hun sporen nagelaten.’

Rond 1995 besloot Michael Valeton zich terug te trekken. De situatie was een kopie van die in 1959: weer liep het voortbestaan van de Eerste Bergensche Boekhandel gevaar. Welke boekverkoper had geld om het bedrijf plus het monumentale pand over te nemen? Deze keer waren het geen uitgevers, maar Bergenaren die redding brachten. Op initiatief van mr. Chris Veraart richtte men een stichting op die het pand onder haar hoede nam. Betrokkenen werden aangezocht om middels aanschaf van aandelen de zaak te steunen. Het lukte. De stichting kocht het pand en net als in 1959 werd een advertentie in Boekblad gezet. Uit een dozijn kandidaten werden Karien Hilbers en Thomas Swinkels uit Nijmegen gekozen. Zij kochten het bedrijf en huurden het pand van de stichting.

Thomas Swinkels: ‘Vier jaar eerder al hadden wij via-via vernomen dat Valeton ermee op wilde houden en hadden we een poging gedaan alles over te nemen. Maar het pand was te duur. Drie jaar later hoorden we van de stichting en probeerden het opnieuw. De stichting had het benodigde kapitaal nog niet bij elkaar. Uiteindelijk is het via die advertentie gelukt.’ In het najaar van 1999 kwamen hij en Karien Hilbers en hun kinderen naar Bergen. In de boekwinkel organiseerden zij een fondsexpositie van SUN, de uitgeverij waarvoor Karien enkele jaren redactiewerk had verricht, en ze gaven een groots feest in het KCB: de zaal hing vol beeldend werk van vrienden uit hun Nijmeegse periode en ze zetten de literaire traditie van Valeton met verve voort door de uit Nijmegen en omgeving afkomstige schrijvers H.H. ter Balkt, Frans Kusters en Thomas Verbogt te laten voorlezen.

In negentig jaar kende de Eerste Bergensche Boekhandel slechts drie eigenaars: Bonda dreef de zaak twintig jaar, de Romeny’s dertig jaar, Michael Valeton veertig jaar. Of dit iets zegt over de toekomst van Karien Hilbers en Thomas Swinkels? Ze hebben in ieder geval gevoel voor traditie. Ook zij openden met een gigantische uitverkoop. Vroeg in de ochtend toog ik naar de winkel. Te laat. Neeltje Maria Min verliet met grote stapels boeken het pand. Zij was opnieuw de eerste klant.