De liefde dus | auteur: Joke J. Hermsen

Arbeiderspers 2008 | € 18,95

‘Het was in die tijd dat ik kennismaakte met de eerste vrouw met een geest superieur aan de mijne, en de meest intelligente onder degenen die ik ooit zou leren kennen. Zij heette madame de Charrière en was een Hollandse uit een van de beste families van dat land.’ Dit zijn woorden van de Franse filosoof/schrijver/politicus Benjamin Constant. De vrouw die hij beschrijft, Madame de Charrière, is de achttiende-eeuwse schrijfster Belle van Zuylen. Op eenendertigjarige leeftijd trouwt zij en verlaat Nederland om zich in Colombier, Zwitserland te vestigen. Een vooruitstrevende vrouw die leeft in een tijd waarin ontplooiingskansen voor vrouwen niet vanzelfsprekend zijn.

In de roman ‘De liefde dus’, die afwisselend bestaat uit brieven, dagboeken en reisbeschrijvingen, een vorm die nauw aansluit bij de genres van de achttiende eeuw, beschrijft Joke Hermsen een tweetal roerige jaren uit het leven van Belle van Zuylen. Zij doet dat in toon en taal zo overtuigend, dat je meent de authentieke dagboeken en brieven te lezen. Gaandeweg krijg je een beeld van belangrijke denkers en gedachten van die tijd, de spanningen die leefden aan de vooravond van de Franse Revolutie.

Aan het begin van het boek verblijft Belle in een kuuroord in Payerne. Zij bevindt zich in een crisis omdat haar veel jongere minnaar hun verhouding heeft verbroken. Het verstandshuwelijk met de aardige maar saaie heer de Charrière maakt haar niet gelukkig. Zij wordt heen en weer geslingerd tussen rede en hartstocht, een worsteling die past in de tijd tussen Verlichting en Romantiek: ‘Alleen passie is in staat passie te begrijpen. Telkens als de rede met de hartstocht in debat gaat, laat ze duidelijk merken er niets van te snappen. Ziedaar mijn verhouding tot mijn vader. Ziedaar mijn verhouding tot mijn man. Ziedaar de verhouding van mijn hart tot mijn geest. We spreken twee verschillende talen en worden het nooit eens.’

Belle van Zuylen vertrekt in haar eentje naar Parijs. Daar logeert ze bij de omstreden arts Cagliostro. Met deze dokter, wiens roem ‘dankzij zijn wonderbaarlijke genezingen en fameuze liefdeselixers zo ras is gestegen’, voert ze gesprekken over haar ‘kwaal’ en over de medische wetenschap. Hij komt naar voren als een moderne arts die inziet dat psychologische oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan lichamelijke klachten.

Dit boek is spannend en smeuïg door het hartstochtelijke verlangen naar een verloren liefde en tegelijkertijd boeiend en leerzaam door de beschrijving van maatschappij en ideeëngoed aan het einde van de achttiende eeuw. Een aanrader!